TAAI-consult logoTAAI-consult
Menu

← Terug naar blog

Medezeggenschap in een stichting: rechten gelden ongeacht rechtsvorm

26 maart 2026

Waarom de rechtsvorm van een organisatie niets zegt over de medezeggenschapsrechten van de OR - en wat dat betekent in de praktijk.

Medezeggenschap in een stichting: rechten gelden ongeacht rechtsvorm

Wanneer organisaties worden opgericht als stichting, ontstaat er soms verwarring over de medezeggenschapsrechten van de ondernemingsraad (OR). Is de Wet op de ondernemingsraden (WOR) wel van toepassing? Heeft de OR dezelfde bevoegdheden als bij een BV of NV? Het antwoord is helder: ja. De rechtsvorm van een organisatie heeft geen invloed op de rechten van de OR. Dit artikel legt uit waarom dat zo is - en waarom het in de praktijk toch regelmatig misgaat.

De WOR geldt voor elke rechtsvorm

De Wet op de ondernemingsraden (WOR) is van toepassing op alle ondernemingen in Nederland, ongeacht de rechtsvorm. Of het nu gaat om een besloten vennootschap (BV), naamloze vennootschap (NV), coöperatie of stichting: zodra een organisatie meer dan 50 medewerkers heeft, is de bestuurder verplicht een OR in te stellen. De rechtsvorm doet er simpelweg niet toe.

Dit klinkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk zien we dat stichtingen - met name in de zorg, het onderwijs en de non-profitsector - soms de indruk wekken dat hun bijzondere aard of maatschappelijke opdracht medezeggenschapsrechten beperkt. Dat is een misverstand. De maatschappelijke opdracht van een stichting verandert niets aan de OR-rechten. Sterker nog: juist in organisaties met een groot maatschappelijk belang is goede medezeggenschap essentieel.

Rolvervaging tussen bestuur en RvT in stichtingen

Eén van de meest voorkomende uitdagingen bij medezeggenschap in stichtingen is de verhouding tussen het bestuur en de Raad van Toezicht (RvT). In een BV of NV is het verschil tussen de directie en de Raad van Commissarissen (RvC) doorgaans duidelijk afgebakend. Bij stichtingen zien we echter regelmatig rolvervaging.

De WOR definieert de "bestuurder" als de persoon die de hoogste zeggenschap heeft over de arbeid in de onderneming. In een stichting is dat vrijwel altijd de statutair directeur of de directeur-bestuurder - niet de RvT. Toch bemoeit de RvT zich in de praktijk soms intensief met operationele beslissingen, waardoor het voor de OR onduidelijk wordt wie nu eigenlijk de bestuurder is in de zin van de WOR.

Rolzuiverheid is geen luxe, maar een praktische noodzaak. De OR heeft er belang bij te weten met wie hij formeel overleg voert, wie bevoegd is besluiten te nemen en wie aanspreekbaar is op de naleving van medezeggenschapsrechten. Onduidelijkheid hierover tast de effectiviteit van de OR aan.

Verhouding OR en cliëntenraad

In de zorg en het welzijn werken stichtingen vaak met meerdere medezeggenschapsorganen naast elkaar: de OR (voor medewerkers) en de cliëntenraad (voor cliënten of bewoners). Beide organen hebben een wettelijke grondslag - de OR in de WOR, de cliëntenraad in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz 2018).

Het is belangrijk te begrijpen dat deze organen complementair zijn, niet concurrerend. De OR behartigt de belangen van het personeel; de cliëntenraad behartigt de belangen van de cliënten. Geen van beide organen vervangt de ander. Toch zien we in de praktijk dat bestuurders soms de neiging hebben om medezeggenschapsvraagstukken te verschuiven van de OR naar de cliëntenraad - of omgekeerd - wanneer hen dat beter uitkomt. Dit is juridisch onjuist.

Hybride structuren: stichting met BV of holding

Moderne zorgorganisaties, onderwijsinstellingen en andere non-profitbedrijven opereren steeds vaker in hybride structuren: een stichting als moederorganisatie, met één of meerdere BV's als dochterondernemingen. Dit levert complexe medezeggenschapsvragen op.

Wie is in zo'n situatie de "ondernemer" in de zin van de WOR? In welke entiteit is de OR ingesteld? En heeft de OR van de stichting ook bevoegdheden ten aanzien van beslissingen die op het niveau van de BV worden genomen?

De WOR biedt hiervoor het concept van de centrale OR (COR), maar dat lost niet alle vragen op. De medezeggenschapsstructuur moet meegroeien met de organisatiestructuur. Wanneer de juridische structuur verandert - door fusies, splitsingen of het oprichten van nieuwe entiteiten - moeten ook de medezeggenschapsafspraken opnieuw worden beoordeeld.

Maatschappelijke opdracht als excuus

Een veelgehoord argument in stichtingen is dat de maatschappelijke opdracht zo zwaarwegend is, dat die de normale medezeggenschapsregels overstijgt. "Wij doen dit voor de cliënten", "Wij zijn er voor de samenleving" - dit soort uitspraken worden soms gebruikt om de OR op afstand te houden of besluiten zonder deugdelijk overleg door te drukken.

Dit argument is juridisch onhoudbaar. De WOR kent geen uitzondering voor organisaties met een maatschappelijke opdracht. De wetgever heeft bewust gekozen voor een breed toepassingsbereik, juist omdat in alle soorten organisaties de belangen van medewerkers bescherming verdienen.

Bovendien: een stichting die haar medezeggenschapsverplichtingen serieus neemt, laat daarmee zien dat zij ook intern haar waarden waarmaakt. Dat versterkt - niet verzwakt - de maatschappelijke geloofwaardigheid.

Rolzuiverheid als praktisch kompas

De kern van effectieve medezeggenschap in stichtingen is rolzuiverheid: iedereen weet wat zijn of haar rol is en handelt daarnaar. De bestuurder voert beleid uit, de RvT houdt toezicht, en de OR vertegenwoordigt het personeel. Wanneer die rollen door elkaar lopen, ontstaat er verwarring - en betaalt uiteindelijk de medewerker de prijs.

Praktische aanbevelingen voor stichtingen:

  • Leg vast wie de bestuurder is in de zin van de WOR en zorg dat de OR weet wie zijn gesprekspartner is.
  • Maak duidelijke afspraken over de rol van de RvT bij overlegvergaderingen - de RvT is geen partij in het overleg, maar kan soms worden uitgenodigd.
  • Beoordeel bij structuurwijzigingen altijd de medezeggenschapsconsequenties - niet achteraf, maar als integraal onderdeel van het besluitvormingsproces.
  • Respecteer de eigen bevoegdheden van de cliëntenraad en schuif medezeggenschapsvraagstukken niet van het ene naar het andere orgaan.

Conclusie

De rechtsvorm stichting is geen vrijbrief voor beperkte medezeggenschap. De WOR geldt volledig, de rechten van de OR zijn dezelfde als in welke andere organisatievorm dan ook, en de maatschappelijke opdracht verandert daar niets aan. Voor OR-leden in stichtingen is het zaak om hun rechten te kennen en - waar nodig - op te eisen. Voor bestuurders geldt: investeer in heldere rollen, transparant overleg en een medezeggenschapsstructuur die past bij de complexiteit van uw organisatie.


Veelgestelde vragen

Is de WOR van toepassing op een stichting? Ja. De WOR geldt voor alle organisaties met meer dan 50 medewerkers, ongeacht de rechtsvorm. Een stichting is geen uitzondering.

Wie is de bestuurder in de zin van de WOR bij een stichting? Dat is de persoon met de hoogste zeggenschap over de arbeid - doorgaans de statutair directeur of directeur-bestuurder. De Raad van Toezicht is geen bestuurder in de zin van de WOR.

Heeft de OR dezelfde rechten als bij een BV of NV? Ja. De bevoegdheden van de OR - adviesrecht, instemmingsrecht, informatierecht - gelden onverkort, ongeacht of de organisatie een stichting, BV of NV is.

Wat is het verschil tussen een OR en een cliëntenraad? De OR behartigt de belangen van medewerkers (grondslag: WOR). De cliëntenraad behartigt de belangen van cliënten (grondslag: Wmcz 2018). Beide organen zijn complementair en vervangen elkaar niet.

Wat moet een OR doen bij rolvervaging tussen bestuur en RvT? De OR kan de bestuurder schriftelijk vragen te bevestigen wie in de zin van de WOR als bestuurder optreedt. Indien nodig kan de OR dit voorleggen aan de bedrijfscommissie of de kantonrechter.

Kennisbank

Veelgestelde vragen over dit onderwerp

Heeft een OR in een stichting dezelfde rechten als in een BV?

In grote lijnen wel. De WOR maakt geen onderscheid naar rechtsvorm: zodra een stichting 50 of meer werknemers heeft, is zij verplicht een ondernemingsraad in te stellen. De rechten van die OR, het adviesrecht, het instemmingsrecht en het informatierecht, zijn in beide gevallen gelijk.

Toch zijn er praktische verschillen. In een stichting ontbreekt de aandeelhoudersvergadering als correctiemechanisme. De Raad van Toezicht vervult bij stichtingen de toezichthoudende rol, maar die heeft formeel een andere verhouding tot de OR dan een aandeelhouder in een BV. Besluiten die in een BV op aandeelhoudersniveau worden genomen, vallen daarmee soms buiten het directe bereik van de OR in een stichting.

Een ander punt is de benoeming van bestuurders. Bij stichtingen geldt op grond van artikel 2:297 BW een versterkt aanbevelingsrecht voor de OR als het gaat om benoeming van toezichthouders bij grote stichtingen die onder het structuurregime vallen. De OR kan dan een bindende voordracht doen voor een derde van de toezichthouders.

Kortom: de formele rechten zijn gelijk, maar de context waarin de OR opereert verschilt. Stichtingen zijn vaak non-profit of semi-publiek, wat andere bestuurlijke dynamiek oplevert. Een OR in een stichting doet er goed aan de eigen statuten en het eventuele toezichthoudend orgaan goed te kennen.

Hoe verhoudt de OR zich tot de Raad van Toezicht in een stichting?

De WOR regelt de verhouding tussen de OR en de bestuurder, in een stichting is dat doorgaans de directeur-bestuurder. De Raad van Toezicht (RvT) staat daar formeel buiten; de OR heeft geen overlegverplichting met de RvT.

In de praktijk is dit genuanceerder. Wanneer de RvT besluiten neemt die de onderneming ingrijpend raken, denk aan fusie, een ingrijpende reorganisatie of benoeming van een nieuwe bestuurder, heeft de OR mogelijk toch rechten. Artikel 25 WOR (adviesrecht) en artikel 27 WOR (instemmingsrecht) zijn van toepassing ongeacht of het besluit formeel door de bestuurder of door de RvT wordt genomen, zolang het besluit de onderneming aangaat.

Het Hof Amsterdam heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat de OR zijn rechten ook kan inroepen richting de RvT als die feitelijk de ondernemer is in de zin van de WOR. Bij stichtingen in de zorg, onderwijs of welzijn is dit een terugkerend vraagstuk.

Praktisch advies: leg in het reglement of in overleg met de RvT vast wanneer de OR bij RvT-besluitvorming betrokken wordt. Dat voorkomt discussies achteraf.

Hoe werkt medezeggenschap in een hybride structuur van stichting en BV?

Hybride structuren, waarbij een stichting en een of meerdere BV's samenwerken of waarbij een stichting de aandelen van een BV houdt, leveren in de praktijk complexe medezeggenschapsvragen op.

De kernvraag is altijd: wie is de ondernemer in de zin van de WOR? Dat is degene die de onderneming in stand houdt. Als de stichting feitelijk de beslissingsbevoegdheid heeft maar de werknemers in dienst zijn bij de BV, dan heeft de OR bij de BV zijn rechten, maar kan hij geconfronteerd worden met besluiten die op stichtingsniveau zijn genomen.

In zulke gevallen kan de OR een beroep doen op de vennootschappelijke doorwerking: als de stichting de BV domineert en feitelijk de ondernemer is, dient de OR van de BV zijn rechten ook richting de stichting te kunnen uitoefenen. Dit volgt uit artikel 25 lid 1 onder e en f WOR (besluiten over samenwerking of overdracht van zeggenschap).

Soms is het verstandig een gemeenschappelijke ondernemingsraad (GOR) in te stellen voor meerdere entiteiten, zodat medezeggenschap niet tussen de wal en het schip valt. TAAI-consult begeleidt OR-en bij het analyseren van zulke structuren en bij het positioneren richting zowel de BV-bestuurder als het stichtingsbestuur.

Hoe verhouden de OR en de cliëntenraad zich in een stichting?

De OR en de cliëntenraad (CR) zijn aparte medezeggenschapsorganen met een eigen wettelijke grondslag. De OR is gebaseerd op de WOR en behartigt de belangen van werknemers. De cliëntenraad is gebaseerd op de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018) en behartigt de belangen van cliënten.

Beide organen kunnen adviesrechten hebben over hetzelfde besluit, denk aan een reorganisatie van zorgteams of een fusie. De bestuurder moet dan met beide organen overleg voeren, maar er is geen verplichting tot afstemming tussen de OR en de CR onderling.

In de praktijk is samenwerking wel zinvol. Bij beslissingen die zowel personeel als cliënten raken, versterken OR en CR elkaars positie als zij gezamenlijk optrekken. Sommige stichtingen hebben hiervoor een gezamenlijk overlegplatform ingesteld.

Let op: de bevoegdheden zijn strikt gescheiden. De OR mag niet namens cliënten spreken en omgekeerd. Verwarring over dit onderscheid leidt soms tot onduidelijkheid over wie welk advies of welke instemming moet geven.

Moet de OR worden betrokken bij de benoeming van bestuurders in een stichting?

Dat hangt af van de situatie. De WOR kent twee instrumenten die relevant zijn bij benoemingen.

Ten eerste het aanbevelingsrecht (artikel 30 WOR): bij benoeming, schorsing of ontslag van de bestuurder heeft de OR het recht een aanbeveling te doen. De ondernemer mag daar gemotiveerd van afwijken, maar is dit pas verplicht als de OR bezwaar maakt. In de praktijk wordt dit recht te weinig gebruikt.

Ten tweede het versterkt aanbevelingsrecht bij grote stichtingen die onder het structuurregime vallen (artikel 2:268/297 BW): de OR heeft dan het recht een bindende voordracht te doen voor een derde van de leden van de Raad van Toezicht. De Ondernemingskamer kan een voordracht alleen afwijzen op beperkte gronden.

Stichtingen die niet onder het structuurregime vallen kennen dit versterkte recht niet automatisch, maar de OR kan in zijn reglement of via onderhandelingen met het bestuur aanvullende afspraken vastleggen.

Praktisch: zorg dat de OR tijdig betrokken wordt bij een benoemingsprocedure. Als de beslissing eenmaal genomen is, staat de OR met lege handen.

← Alle vragen in de kennisbank