Medezeggenschap in een stichting: rechten gelden ongeacht rechtsvorm
Wanneer organisaties worden opgericht als stichting, ontstaat er soms verwarring over de medezeggenschapsrechten van de ondernemingsraad (OR). Is de Wet op de ondernemingsraden (WOR) wel van toepassing? Heeft de OR dezelfde bevoegdheden als bij een BV of NV? Het antwoord is helder: ja. De rechtsvorm van een organisatie heeft geen invloed op de rechten van de OR. Dit artikel legt uit waarom dat zo is - en waarom het in de praktijk toch regelmatig misgaat.
De WOR geldt voor elke rechtsvorm
De Wet op de ondernemingsraden (WOR) is van toepassing op alle ondernemingen in Nederland, ongeacht de rechtsvorm. Of het nu gaat om een besloten vennootschap (BV), naamloze vennootschap (NV), coöperatie of stichting: zodra een organisatie meer dan 50 medewerkers heeft, is de bestuurder verplicht een OR in te stellen. De rechtsvorm doet er simpelweg niet toe.
Dit klinkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk zien we dat stichtingen - met name in de zorg, het onderwijs en de non-profitsector - soms de indruk wekken dat hun bijzondere aard of maatschappelijke opdracht medezeggenschapsrechten beperkt. Dat is een misverstand. De maatschappelijke opdracht van een stichting verandert niets aan de OR-rechten. Sterker nog: juist in organisaties met een groot maatschappelijk belang is goede medezeggenschap essentieel.
Rolvervaging tussen bestuur en RvT in stichtingen
Eén van de meest voorkomende uitdagingen bij medezeggenschap in stichtingen is de verhouding tussen het bestuur en de Raad van Toezicht (RvT). In een BV of NV is het verschil tussen de directie en de Raad van Commissarissen (RvC) doorgaans duidelijk afgebakend. Bij stichtingen zien we echter regelmatig rolvervaging.
De WOR definieert de "bestuurder" als de persoon die de hoogste zeggenschap heeft over de arbeid in de onderneming. In een stichting is dat vrijwel altijd de statutair directeur of de directeur-bestuurder - niet de RvT. Toch bemoeit de RvT zich in de praktijk soms intensief met operationele beslissingen, waardoor het voor de OR onduidelijk wordt wie nu eigenlijk de bestuurder is in de zin van de WOR.
Rolzuiverheid is geen luxe, maar een praktische noodzaak. De OR heeft er belang bij te weten met wie hij formeel overleg voert, wie bevoegd is besluiten te nemen en wie aanspreekbaar is op de naleving van medezeggenschapsrechten. Onduidelijkheid hierover tast de effectiviteit van de OR aan.
Verhouding OR en cliëntenraad
In de zorg en het welzijn werken stichtingen vaak met meerdere medezeggenschapsorganen naast elkaar: de OR (voor medewerkers) en de cliëntenraad (voor cliënten of bewoners). Beide organen hebben een wettelijke grondslag - de OR in de WOR, de cliëntenraad in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz 2018).
Het is belangrijk te begrijpen dat deze organen complementair zijn, niet concurrerend. De OR behartigt de belangen van het personeel; de cliëntenraad behartigt de belangen van de cliënten. Geen van beide organen vervangt de ander. Toch zien we in de praktijk dat bestuurders soms de neiging hebben om medezeggenschapsvraagstukken te verschuiven van de OR naar de cliëntenraad - of omgekeerd - wanneer hen dat beter uitkomt. Dit is juridisch onjuist.
Hybride structuren: stichting met BV of holding
Moderne zorgorganisaties, onderwijsinstellingen en andere non-profitbedrijven opereren steeds vaker in hybride structuren: een stichting als moederorganisatie, met één of meerdere BV's als dochterondernemingen. Dit levert complexe medezeggenschapsvragen op.
Wie is in zo'n situatie de "ondernemer" in de zin van de WOR? In welke entiteit is de OR ingesteld? En heeft de OR van de stichting ook bevoegdheden ten aanzien van beslissingen die op het niveau van de BV worden genomen?
De WOR biedt hiervoor het concept van de centrale OR (COR), maar dat lost niet alle vragen op. De medezeggenschapsstructuur moet meegroeien met de organisatiestructuur. Wanneer de juridische structuur verandert - door fusies, splitsingen of het oprichten van nieuwe entiteiten - moeten ook de medezeggenschapsafspraken opnieuw worden beoordeeld.
Maatschappelijke opdracht als excuus
Een veelgehoord argument in stichtingen is dat de maatschappelijke opdracht zo zwaarwegend is, dat die de normale medezeggenschapsregels overstijgt. "Wij doen dit voor de cliënten", "Wij zijn er voor de samenleving" - dit soort uitspraken worden soms gebruikt om de OR op afstand te houden of besluiten zonder deugdelijk overleg door te drukken.
Dit argument is juridisch onhoudbaar. De WOR kent geen uitzondering voor organisaties met een maatschappelijke opdracht. De wetgever heeft bewust gekozen voor een breed toepassingsbereik, juist omdat in alle soorten organisaties de belangen van medewerkers bescherming verdienen.
Bovendien: een stichting die haar medezeggenschapsverplichtingen serieus neemt, laat daarmee zien dat zij ook intern haar waarden waarmaakt. Dat versterkt - niet verzwakt - de maatschappelijke geloofwaardigheid.
Rolzuiverheid als praktisch kompas
De kern van effectieve medezeggenschap in stichtingen is rolzuiverheid: iedereen weet wat zijn of haar rol is en handelt daarnaar. De bestuurder voert beleid uit, de RvT houdt toezicht, en de OR vertegenwoordigt het personeel. Wanneer die rollen door elkaar lopen, ontstaat er verwarring - en betaalt uiteindelijk de medewerker de prijs.
Praktische aanbevelingen voor stichtingen:
- Leg vast wie de bestuurder is in de zin van de WOR en zorg dat de OR weet wie zijn gesprekspartner is.
- Maak duidelijke afspraken over de rol van de RvT bij overlegvergaderingen - de RvT is geen partij in het overleg, maar kan soms worden uitgenodigd.
- Beoordeel bij structuurwijzigingen altijd de medezeggenschapsconsequenties - niet achteraf, maar als integraal onderdeel van het besluitvormingsproces.
- Respecteer de eigen bevoegdheden van de cliëntenraad en schuif medezeggenschapsvraagstukken niet van het ene naar het andere orgaan.
Conclusie
De rechtsvorm stichting is geen vrijbrief voor beperkte medezeggenschap. De WOR geldt volledig, de rechten van de OR zijn dezelfde als in welke andere organisatievorm dan ook, en de maatschappelijke opdracht verandert daar niets aan. Voor OR-leden in stichtingen is het zaak om hun rechten te kennen en - waar nodig - op te eisen. Voor bestuurders geldt: investeer in heldere rollen, transparant overleg en een medezeggenschapsstructuur die past bij de complexiteit van uw organisatie.
Veelgestelde vragen
Is de WOR van toepassing op een stichting? Ja. De WOR geldt voor alle organisaties met meer dan 50 medewerkers, ongeacht de rechtsvorm. Een stichting is geen uitzondering.
Wie is de bestuurder in de zin van de WOR bij een stichting? Dat is de persoon met de hoogste zeggenschap over de arbeid - doorgaans de statutair directeur of directeur-bestuurder. De Raad van Toezicht is geen bestuurder in de zin van de WOR.
Heeft de OR dezelfde rechten als bij een BV of NV? Ja. De bevoegdheden van de OR - adviesrecht, instemmingsrecht, informatierecht - gelden onverkort, ongeacht of de organisatie een stichting, BV of NV is.
Wat is het verschil tussen een OR en een cliëntenraad? De OR behartigt de belangen van medewerkers (grondslag: WOR). De cliëntenraad behartigt de belangen van cliënten (grondslag: Wmcz 2018). Beide organen zijn complementair en vervangen elkaar niet.
Wat moet een OR doen bij rolvervaging tussen bestuur en RvT? De OR kan de bestuurder schriftelijk vragen te bevestigen wie in de zin van de WOR als bestuurder optreedt. Indien nodig kan de OR dit voorleggen aan de bedrijfscommissie of de kantonrechter.